ECLI:NL:RBDHA:2025:15190
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting na opvolgende asielaanvraag
Verzoeker heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerste in 2021 is afgewezen en de tweede in 2024 kennelijk ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen de tweede afwijzing gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Verzoeker is op 8 juli 2025 in bewaring gesteld met het oog op uitzetting naar Sri Lanka, gepland op 29 juli 2025.
Op 18 juli 2025 diende verzoeker een opvolgende asielaanvraag in, waarop verweerder op 22 juli 2025 besloot dat deze aanvraag niet leidt tot opschorting van de uitzetting. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, maar dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De nieuwe elementen in de aanvraag, zoals het vermeende seksueel misbruik en deelname aan politieke activiteiten, zijn onvoldoende relevant of nieuw geacht. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat de aanvraag mogelijk is ingediend om de uitzetting te vertragen. Ook is het bezwaar tegen de zorgvuldigheid van de procedure ongegrond.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de uitzetting op 29 juli 2025 kan doorgaan. Deze beslissing is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een eventuele bodemprocedure.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen, uitzetting kan doorgaan.