Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 21 februari 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 12 september 2024 in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en verklaart het beroep gegrond. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een langere beslistermijn op volgens het 8+8- wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen, dus binnen zestien weken in totaal.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass op 21 juli 2025.