Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 4 september 2024 en moest binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiseres stelde de minister op 9 mei 2025 in gebreke en startte daarna het beroep.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank volgt het 8+8- wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen, in totaal binnen zestien weken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het geval de minister deze termijn overschrijdt. Ook veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres van €453,50 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass en is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2025.