De zaak betreft een beroep van eiser tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In een eerdere uitspraak van 19 december 2024 was aan de minister een beslistermijn van zestien weken opgelegd. De minister heeft binnen deze termijn geen besluit genomen, waarop eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder voorafgaande ingebrekestelling, omdat in de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn was gesteld die inmiddels is verstreken. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en het recht van eiser om zijn zienswijze te geven.
Verder verbindt de rechtbank aan het niet naleven van deze termijn een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50. Hiermee wordt het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.