Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 5 juli 2024 ontvangen en de minister moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 6 februari 2025 schriftelijk in gebreke, maar diende het beroep pas na de wettelijke termijn in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van twee weken op, ingaande na de dag van verzending van de uitspraak, en verbindt daaraan een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan eiseres van € 453,50.
De rechtbank verwijst naar relevante wetsartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, en volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van dwangsommen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 26 juni 2025.