ECLI:NL:RBDHA:2025:15315
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië
Eiser, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat Kroatië niet voldoet aan internationale verplichtingen, met verwijzing naar slechte opvang, discriminatie en gebrek aan medische zorg, en beroept zich op arresten M.S.S. en Tarakhel.
De rechtbank stelt dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om dit te weerleggen. De situatie in Kroatië wordt niet als structureel tekortschietend beoordeeld en eiser heeft geen bewijs geleverd van bijzondere kwetsbaarheid of schendingen. Ook het argument van indirect refoulement wordt verworpen op basis van recente jurisprudentie.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister terecht heeft besloten de aanvraag niet aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, ondanks het feit dat eisers kinderen in Duitsland wonen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.