Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 5 april 2024 en moest binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister op 28 maart 2025 schriftelijk in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en verklaart het beroep gegrond. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van het vonnis moet de minister een gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50 vanwege inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 1 juli 2025.