Eiser diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 11 juni 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna eiser zijn beroep handhaafde. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het doel van het beroep, het verkrijgen van een besluit, inmiddels is bereikt.
De rechtbank overweegt dat de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurt bij niet tijdig beslissen, maar sinds 11 juli 2021 geldt een tijdelijke wet die de dwangsom opschort voor asielaanvragen voor bepaalde tijd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bevestigd dat deze opschorting niet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel.
Hoewel de minister geen dwangsom verschuldigd is, veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser wegens het te late besluit. De proceskosten worden vastgesteld op € 453,50, rekening houdend met het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener en een wegingsfactor van 0,5. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 2 juli 2025.