Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hoewel eiser de minister op 25 april 2025 schriftelijk in gebreke heeft gesteld, heeft de minister niet binnen twee weken daarna een besluit genomen, waardoor het beroep ontvankelijk is.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij binnen acht weken na verzending een nader gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit moet volgen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, voor het geval de minister deze termijn overschrijdt.
De rechtbank wijst erop dat de bestuurlijke dwangsom op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet van toepassing is, maar dat de bestuursrechter op grond van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wel een dwangsom kan opleggen. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser ter hoogte van € 453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden en is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025. Eiser kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift indienen indien hij het niet eens is met de uitspraak.