Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 2 juli 2023 ontvangen en de minister had zes maanden plus een verlenging van negen maanden om te beslissen. Eiser stelde de minister op 9 april 2025 schriftelijk in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van zes weken op waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op €453,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De rechtbank benadrukt dat de termijn voor een zorgvuldige en snelle besluitvorming in acht moet worden genomen en verwijst naar relevante jurisprudentie en wettelijke bepalingen.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden, en is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025.