ECLI:NL:RBDHA:2025:1540

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2025
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
NL24.20542
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 76 VwArt. 72 Vw
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na prematuur ingebrekestelling in visumbezwaar

Verzoeker stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een visumaanvraag voor kort verblijf. Verweerder besloot vervolgens geen bezwaar meer te maken tegen afgifte van het visum, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank oordeelde dat de wettelijke beslistermijn voor het bezwaar negentien weken bedroeg, te rekenen vanaf het einde van de bezwaartermijn. Verweerder had de beslistermijn onterecht met zes weken verdagen, waardoor deze verdaging zonder rechtsgevolg bleef. Wel was de beslistermijn tijdelijk opgeschort wegens de mogelijkheid voor verzoeker om aanvullende gronden in te dienen.

Verzoeker had verweerder op 19 april 2024 in gebreke gesteld, terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor was de ingebrekestelling prematuur. De rechtbank zag geen grond voor proceskostenveroordeling en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen vanwege een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20542

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

v-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 13 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 2 januari 2024 tegen de afwijzing van de aanvraag voor een visum voor kort verblijf.
Bij brief van 30 mei 2024 heeft verweerder besloten geen bezwaar meer te maken tegen afgifte van een enkelvoudig visum voor kort verblijf aan verzoeker.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [2] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. In dit geval is – anders dan verweerder aanneemt - de termijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar op grond van artikel 76, eerste lid, van de Vw [3] , gelezen in samenhang met artikel 72, tweede lid, van de Vw, negentien weken. Dit is gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. [4] Het primaire besluit dateert van 7 december 2023 en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt vier weken. [5] De beslistermijn is in dit geval dus aangevangen op 5 januari 2024 en zou in beginsel eindigen op 16 mei 2024. Verweerder heeft in zijn brief van 9 januari 2024 meegedeeld dat hij de beslistermijn met zes weken heeft verdaagd. [6] Nu verweerder daarbij is uitgegaan van een – onjuiste – beslistermijn van zes weken, is deze beslissing tot verdaging zonder rechtsgevolg gebleven. De beslistermijn is daarnaast wel, conform artikel 7:10, tweede lid, van de Awb, opgeschort met twee weken, van 7 mei 2024 tot 21 mei 2024, doordat verweerder verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld om nog gronden van bezwaar in te dienen en die termijn ongebruikt is verstreken. (Eerst op 25 mei 2024 heeft verzoeker gronden van bezwaar ingediend) De beslistermijn eindigt daardoor op 30 mei 2024.
3. Verzoeker heeft verweerder op 19 april 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Gelet hierop is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Op grond van artikel 6:8 van Pro de Awb.
5.Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw.
6.Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb.