De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk om het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 1 april 2025 in te trekken. Het college had het recht op bijstand eerst opgeschort voor maximaal acht weken, maar trok het daarna in op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (Pw). Verzoeker betwist deze intrekking en verzoekt om schorsing.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college niet bevoegd was het recht op bijstand langer dan acht weken op te schorten en daarom ook niet bevoegd was het recht op grond van artikel 54, vierde lid, Pw in te trekken. Het college heeft echter aangekondigd deze fout in bezwaar te herstellen door de grondslag van het intrekkingsbesluit te wijzigen naar artikel 54, derde lid, Pw, waarbij het recht op bijstand wordt ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht.
Verzoeker heeft sinds 2022 meerdere bedrijven op zijn naam geregistreerd zonder dit aan het college te melden, waaronder een stichting met een bedrijfsauto en een gehandicaptenparkeerkaart. Dit is relevante informatie voor het recht op bijstand. De voorzieningenrechter acht de schending van de inlichtingenplicht voldoende aannemelijk en ziet geen reden om het intrekkingsbesluit voorlopig te schorsen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
De uitspraak is voorlopig van aard en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. Er worden geen proceskosten toegekend en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.