ECLI:NL:RBDHA:2025:15985
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortduring maatregel van vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
Eiser werd op 4 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 8 augustus 2025 opgeheven, waarna eiser beroep instelde tegen het voortduren van de bewaring en schadevergoeding vorderde.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot 16 juli 2025 rechtmatig was, maar dat de periode daarna tot 8 augustus 2025 werd getoetst op rechtmatigheid. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn overdracht aan Duitsland, aangezien na ontvangst van het claimakkoord op 14 juli 2025 en de asielbeschikking van 22 juli 2025 pas op 6 augustus 2025 een vertrekgesprek plaatsvond.
Verweerder voerde aan dat een termijn van veertien dagen geldt voor de eerste overdrachtshandeling, die in dit geval op 6 augustus werd verricht. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat verweerder uiterlijk op 26 juli 2025 een eerste overdrachtshandeling had moeten verrichten. Door dit niet te doen werd de bewaring vanaf 27 juli 2025 onrechtmatig voortgezet.
De rechtbank kende op grond van artikel 106 Vw Pro een schadevergoeding toe van €1.300 voor 13 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten van €1.814. Er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de maatregel van bewaring vanaf 27 juli 2025 onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van €1.300 toe.