ECLI:NL:RVS:2024:777
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 22 juni 2021 in bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld tijdens de bewaring, waardoor deze onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe.
In hoger beroep stelt de Afdeling dat de staatssecretaris wel degelijk voldoende voortvarend heeft gehandeld. De Afdeling benadrukt dat het tijdsverloop van de overdrachtsprocedure niet standaardmatig leidt tot onvoldoende voortvarendheid en dat relevante feiten en omstandigheden zowel van voor als tijdens de bewaring meegewogen moeten worden. De Afdeling constateert dat de staatssecretaris al op dag zeven van de bewaring contact had gezocht met het Openbaar Ministerie en een vertrekgesprek had gehouden, en dat de vreemdeling zelf twee geplande vluchten frustrerend had door weigering van een coronatest.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Wel wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €875,00 voor de aanwezigheid van de gemachtigde op de zitting.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring van de staatssecretaris wordt geacht rechtmatig te zijn.