ECLI:NL:RBDHA:2025:16035

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.38591
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring in het vreemdelingenrecht met betrekking tot identiteitsvaststelling

Op 28 augustus 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen een eiser en de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek. De zaak betreft een vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring die op 17 juni 2025 aan de eiser is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder op 4 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van deze maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 22 augustus 2025 gesloten en besloten dat de zaak niet op zitting behandeld zou worden. In de beoordeling heeft de rechtbank vastgesteld dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot 1 juli 2025, maar moest nu beoordelen of het voortduren van de maatregel sindsdien nog gerechtvaardigd was. Eiser stelde dat er geen identiteitsdocumenten beschikbaar waren, wat buiten zijn macht lag, en vroeg om een lichter middel. De rechtbank oordeelde echter dat de omstandigheden niet voldoende waren om de belangenafweging in het voordeel van de eiser te laten uitvallen. De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de belangen van de minister niet meer zouden laten prevaleren boven die van de eiser.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, waardoor de maatregel van bewaring in stand blijft en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38591

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. De minister heeft op 17 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op dit eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 4 juli 2025. [1]
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 22 augustus 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1.
Uit de uitspraak van 4 juli 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 1 juli 2025) rechtmatig is.
Lichter middel en belangenafweging
3. Eiser brengt naar voren dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat er een presentatie in persoon heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025 en dat een gesprek heeft plaatsgevonden met de vertegenwoordiger van de ambassade vanuit de minister. Daarbij is aangegeven dat het verzoek met de consul besproken zal worden maar dat, in verband met de afwezigheid van de consul, dit gesprek begin september zal plaatsvinden. Ook blijkt uit de voortgangsrapportage dat de minister, in het kader van het aanvullend identiteitsonderzoek, het paspoort van eiser heeft opgevraagd bij de Duitse autoriteiten, die het paspoort hebben ingenomen. Kennelijk komt hier geen antwoord op, want er is tot twee maal toe gerappelleerd. Uit deze omstandigheden blijkt dat het buiten de macht van eiser ligt dat er geen identiteitsdocumenten aanwezig zijn. Los van een verwijtbaarheid aan de kant van de minister is in ieder geval duidelijk dat eiser dit niet zelf in zijn macht heeft. Een voortdurende detentie zal hierin geen verschil kunnen maken. Daarom is het voortduren van de detentie niet redelijk en moet deze opgeheven worden. Eiser kan met een meldplicht ook in contact blijven met de Nederlandse autoriteiten. Hij heeft hier ook belang bij omdat hij een Nederlandse partner heeft waarbij hij uiteindelijk ook verblijf zal willen gaan realiseren.
3.1.
De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee een beroep doet op het opleggen van een lichter middel en op dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Uit de door eiser genoemde omstandigheden kan niet geconcludeerd worden dat het buiten zijn macht ligt dat er geen identiteitsdocumenten zijn. In het voortgangsrapport staat slechts dat eiser bij zijn asielaanvraag op 16 juni 2025 heeft aangegeven dat zijn paspoort door de Duitse autoriteiten is ingenomen waarna er aan de minister is gevraagd of er een mogelijkheid is dit paspoort op te vragen bij de Duitse autoriteiten. Dat betekent niet dat de minister er van uitgaat dat het feitelijk juist is dat het paspoort van eiser is ingenomen door de Duitse autoriteiten. Bovendien houdt één van de gronden die ten grondslag liggen aan de bewaringsmaatregel in dat eiser niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en is in de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2025 geoordeeld dat alle gronden onbetwist aanwezig zijn en dat die de maatregel kunnen dragen. De rechtbank heeft in die uitspraak ook geoordeeld dat, gelet op de aanwezigheid van de gronden en de omstandigheid dat eiser heeft verklaard niet terug te willen keren naar Algerije, de minister niet over hoefde te gaan tot oplegging van een lichter middel. Dit geldt nog steeds nu eiser ook bij zijn presentatie in persoon op 8 juli 2025 heeft aangegeven niet te willen terugkeren naar Algerije. Uit het presentatieverslag blijkt dat door de vertegenwoordiger van de Algerijnse autoriteiten na de presentatie is aangegeven dat de aanvraag om een laissez-passer in onderzoek blijft. Dat de vertegenwoordiger op 8 augustus 2025 heeft aangegeven de aanvraag om afgifte van een laissez-passer te willen bespreken met de consul, betekent niet dat de aanvraag niet langer in behandeling is. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Dat er nog geen reisdocumenten zijn is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. De enkele stelling dat eiser een Nederlandse partner zou hebben waar hij uiteindelijk verblijf zal willen gaan realiseren is ook onvoldoende om de belangenafweging in zijn voordeel uit te doen vallen. Er zijn geen feiten of omstandigheden die, gelet op de duur van de bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring van eiser bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 4 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13286.
2.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.