Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse staatsburger, verzocht op 21 september 2022 om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege zijn lidmaatschap van de HDP en het verstrekken van medicatie aan arme wijkbewoners in Turkije vervolgd werd. Verweerder wees de aanvraag op 16 oktober 2024 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en onderbouwing van de asielmotieven.
In beroep voerde eiser aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling onrechtmatig was en dat zijn problemen met de Turkse autoriteiten, waaronder een arrestatiebevel, onvoldoende werden erkend. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling volgens WI 2024/6 niet in strijd is met Unierecht en dat verweerder terecht de verklaringen en documenten van eiser als onvoldoende aannemelijk heeft beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vluchteling is of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Ook de aangevoerde discriminatie en geweld tegen Koerden in Turkije rechtvaardigen geen andere uitkomst. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.