Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
21 mei 2024 aanvaard.
Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiser, een Iraakse nationaliteit houder, tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 5 september 2024 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat is vastgesteld. De rechtbank heeft, na toestemming van partijen, besloten om geen zitting te houden en het onderzoek te sluiten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft. De rechtbank legt uit dat de Dublinverordening bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland op 7 mei 2024 een verzoek om terugname aan Kroatië gedaan, dat op 21 mei 2024 is aanvaard. Eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Kroatië verantwoordelijk is en dat er zorgvuldigheidsgebreken zijn in de besluitvorming. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom Kroatië verantwoordelijk is en dat de persoonlijke ervaringen van eiser niet voldoende zijn om te concluderen dat de overdracht naar Kroatië getuigt van onevenredige hardheid. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die bevestigen dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op proceskostenvergoeding.