ECLI:NL:RBDHA:2025:16059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
25.23372
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld waarbij diens aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling werd genomen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, die bepaalt dat een lidstaat een asielaanvraag niet in behandeling neemt als een andere lidstaat verantwoordelijk is. Nederland had op 9 april 2025 een verzoek tot terugname van de zaak aan Zweden gedaan, welke op 11 april 2025 werd aanvaard.

Eiser voerde aan dat de besluitvorming onzorgvuldig was omdat mogelijk gebruik was gemaakt van het algoritme Case Matcher, wat volgens hem in strijd zou zijn met het recht op privacy (artikel 8 EVRM Pro). Daarnaast stelde hij dat het gebrek aan regelgeving rond AI-systemen zoals ChatGPT en Co Pilot tot onduidelijkheid en risico op bias leidt. De rechtbank concludeerde echter op basis van verklaringen van betrokken medewerkers en interne documenten dat geen gebruik was gemaakt van Case Matcher en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat andere AI-systemen waren ingezet.

De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en handhaafde het besluit van de minister. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en de mogelijkheid tot verzet werd toegelicht. Deze zaak illustreert de toepassing van de Dublinverordening en de aandacht voor transparantie en privacy bij het gebruik van algoritmes in bestuursrechtelijke besluitvorming.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23372

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister(gemachtigde: mr. L. Augustinus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 mei 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.23373. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regelgeving staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 9 april 2025 bij Zweden een verzoek om terugname gedaan. Zweden heeft dit verzoek op 11 april 2025 aanvaard.
Gebruik van Case Matcher
5. Eiser heeft betoogd dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat niet is uitgesloten dat de minister gebruik heeft gemaakt van Case Matcher. Dit is volgens eiser in strijd met het recht op privacy neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM. Ook beroept eiser zich op stukken van het College voor de Rechten van de Mens [3] en van de Raad voor de Rechtspraak. [4] Het gebrek aan regelgeving rondom algoritmes en AI betekent volgens eiser dat de minister gebruik kan hebben gemaakt van andere vormen van AI, zoals ChatGPT en Co Pilot. Eiser stelt dat verweerder transparant dient te zijn en duidelijk moet kunnen maken dat er geen sprake is van een AI-systeem, en geen risico op bias bestaat. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 februari 2020. [5]
5.1.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of gebruik is gemaakt van Case Matcher. [6] De minister heeft zich in zijn brief van 11 juni 2025 op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. Navraag heeft opgeleverd dat zowel de medewerker die het voornemen, als de medewerker die de beschikking heeft opgesteld, geen gebruik hebben gemaakt van Case Matcher. Dit volgt evenmin uit de interne minuut. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn enkele stelling dat de minister wegens het gebrek aan regelgeving mogelijk gebruik heeft gemaakt van andere vormen van AI, zoals ChatGPT of Co Pilot, omdat hij dit geenszins heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Het
6.Vgl. de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juni 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:10064).