ECLI:NL:RBDHA:2025:16112
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen afwijzing visum kort verblijf
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een verzoek van de verzoeker om vergoeding van proceskosten. De verzoeker had een beroep ingediend tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf, omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig had beslist op het bezwaar van de verzoeker. Op 21 juli 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op het bezwaar, waarna de verzoeker zijn beroep heeft ingetrokken. Bij deze intrekking heeft de verzoeker verzocht om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, maar de minister heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank heeft overwogen dat het niet nodig was om partijen uit te nodigen voor een zitting. Volgens de wet kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten als de indiener het beroep intrekt omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan het beroepschrift. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister inderdaad tegemoet is gekomen aan het beroep van de verzoeker door alsnog een besluit te nemen op het bezwaar.
De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen en de minister veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Dit bedrag is vastgesteld op basis van de geldende regels voor proceskostenvergoeding, waarbij rekening is gehouden met de aard van de zaak en het feit dat de verzoeker een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld. Daarnaast moet de minister ook het door de verzoeker betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman, in aanwezigheid van griffier A.W. van Eerden.