ECLI:NL:RBDHA:2025:16207
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsrecht EU-onderdaan wegens ontbreken rechtmatig verblijf en overlast
Eiser, een EU-onderdaan, kreeg zijn verblijfsrecht in Nederland ingetrokken door de minister van Asiel en Migratie omdat hij geen rechtmatig verblijf meer had. De minister baseerde dit op het feit dat eiser een zwervend bestaan leidde, meerdere malen overlast had veroorzaakt en niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, zoals het verrichten van arbeid of het aantonen van werkzoekend zijn.
Eiser voerde verschillende beroepsgronden aan, waaronder het behoud van de status van werknemer gedurende zes maanden na beëindiging van werkzaamheden en het niet meenemen van zijn relatie en gedeelde kosten in de beoordeling. De rechtbank oordeelde dat deze gronden reeds eerder waren beoordeeld en verworpen en dat er geen nieuwe feiten waren die tot een ander oordeel leidden.
Daarnaast stelde eiser dat de minister onvoldoende had gemotiveerd hoe hij zijn verblijf moest beëindigen en wanneer hij weer naar Nederland mocht terugkeren. Ook deze grond werd door de rechtbank verworpen, verwijzend naar eerdere uitspraken.
De rechtbank concludeerde dat de minister niet onrechtmatig had gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.M. van Abbe op 27 augustus 2025.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard.