De rechtbank Den Haag behandelde op 7 februari 2025 twee beroepen van eiser tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste betrof het plaatsingsbesluit van 25 november 2024 om eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen, het tweede de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister.
Eiser vertoonde op 20 en 21 november 2024 agressief en dreigend gedrag, waaronder schelden, duwen van een beveiliger en het uiten van ernstige bedreigingen richting COa-medewerkers en een GGZ-medewerker, inclusief dreigingen met brandstichting en zelfdoding. Eerder opgelegde maatregelen hadden geen positieve gedragsverandering teweeggebracht.
De rechtbank baseerde zich op de verslaglegging van het COa en stelde vast dat eiser de bedreigingen niet had betwist. Het incident werd terecht als zeer grote impact beoordeeld. De stelling van eiser dat zijn gedrag voortkwam uit suikerziekte of dat hij gekalmeerd was tijdens een gesprek met de wijkagent, deed hieraan niet af. De rechtbank oordeelde dat het COa terecht geen lichtere maatregel had gekozen.
Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open, tegen het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.