ECLI:NL:RBDHA:2025:1625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
NL24.51440 en AWB24/21436
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing in Handhaving- en Toezichtlocatie en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank Den Haag behandelde op 7 februari 2025 twee beroepen van eiser tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste betrof het plaatsingsbesluit van 25 november 2024 om eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen, het tweede de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister.

Eiser vertoonde op 20 en 21 november 2024 agressief en dreigend gedrag, waaronder schelden, duwen van een beveiliger en het uiten van ernstige bedreigingen richting COa-medewerkers en een GGZ-medewerker, inclusief dreigingen met brandstichting en zelfdoding. Eerder opgelegde maatregelen hadden geen positieve gedragsverandering teweeggebracht.

De rechtbank baseerde zich op de verslaglegging van het COa en stelde vast dat eiser de bedreigingen niet had betwist. Het incident werd terecht als zeer grote impact beoordeeld. De stelling van eiser dat zijn gedrag voortkwam uit suikerziekte of dat hij gekalmeerd was tijdens een gesprek met de wijkagent, deed hieraan niet af. De rechtbank oordeelde dat het COa terecht geen lichtere maatregel had gekozen.

Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open, tegen het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.

Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51440 en AWB24/21436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Jeminitische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 25 november 2024, waarbij het COa heeft besloten om eiser vanaf 25 november 2024 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] op te leggen.
1.1.
Het COa heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen op de zitting. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Op 20 november 2024 heeft eiser zich dreigend en agressief uitgelaten tegen medewerkers en beveiligers. Eiser begon te schreeuwen aan de meedoenbalie, te schelden in het Arabisch bij de balustrade, duwde de beveiliger en dreigde met brandstichting. Eiser heeft vervolgens, in de ochtend van 21 november 2024, bedreigende berichten gestuurd naar een GGZ-medewerker. In deze berichten dreigt eiser de opvanglocatie in brand te steken, de COa-medewerkers iets aan te doen en met zelfdoding. Eiser heeft deze dreigementen in nadere gesprekken bekrachtigd. Het COa heeft aan eiser geen lichtere maatregel opgelegd. Eiser heeft namelijk voor eerdere incidenten ROV-maatregelen, een leermaatregel en verschillende time-outmaatregelen opgelegd gekregen, die niet hebben geleid tot positieve gedragsverandering.
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten, dat eiser in de HTL kan worden geplaatst.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij op 21 november heeft gezegd dat hij de opvanglocatie in brand wilde steken, dat hij COA-medewerkers iets aan zou doen en dat hij zichzelf van het leven wilde beroven. De rechtbank gaat dan ook uit van de verslaglegging van het COa.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het incident terecht is aangemerkt als een incident met zeer grote impact. [3] Daarvoor vindt de rechtbank van belang dat eiser ernstige bedreigingen heeft geuit in de berichten aan de GGZ-behandelaar, dat eiser zich de dag daarvoor ook al dreigend heeft uitgelaten en dat hij deze bedreigingen in de gesprekken erna heeft bekrachtigd. Eisers stelling dat het niet zijn intentie is geweest om iemand te bedreigen of zijn bedreigingen daadwerkelijk uit te voeren, maakt zijn gedragingen en de impact daarvan niet anders. Eiser heeft meermaals aangegeven uitvoering te zullen geven aan deze bedreigingen. Eisers - niet nader onderbouwde - stelling dat zijn handelingen voortvloeien uit zijn suikerziekte is onvoldoende om hier anders over te oordelen. Eiser stelt tot slot dat hij was gekalmeerd op het moment dat hij met de wijkagent praatte en dat ook dat niet wijst op een daadwerkelijke dreiging. Ook daarvan vindt de rechtbank, dat dit niets afdoet aan de impact van de handelingen van eiser voorafgaand aan dat moment. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.3.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa terecht geen lichtere maatregel aan eiser op heeft gelegd. Eerdere maatregelen hebben gelet op de incidenten op 20 en 21 november 2024 geen effect gehad en hebben er niet voor gezorgd dat bij eiser een positieve gedragsverandering teweeg is gebracht.
5. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 7 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Onder gedragingen met een zeer grote impact wordt, zoals volgt uit het Maatregelenbeleid van het COa, onder andere verstaan “agressie en geweld tegen medebewoners en/of derden met een zeer grote impact, zoals gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen”.