ECLI:NL:RBDHA:2025:16337
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende onderbouwing extreme armoede bij terugkeer
Eiser, een Guinese nationaliteit houdende vreemdeling, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat eerdere aanvragen en beroepen ongegrond waren verklaard. De minister verklaarde de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat hij bij terugkeer naar Guinee in extreme armoede en een onmenselijke situatie zou belanden, verwijzend naar de arresten Ibrahim en Jawo.
De rechtbank overwoog dat deze arresten betrekking hebben op overdracht binnen de EU en niet op terugkeer naar het land van herkomst. Tevens stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om aannemelijk te maken dat terugkeer tot een schending van artikel 3 EVRM Pro zou leiden. De enkele stelling van extreme armoede en medische situatie was onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen nader onderzoek hoefde te verrichten en dat de niet-ontvankelijk verklaring van de aanvraag in stand kon blijven. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter R. Tesfai en griffier A. Hoekstra Verbeek op 2 september 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.