Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 5 december 2023 en verlengde de beslistermijn met negen maanden. Eiser stelde de minister op 10 juni 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij binnen twee weken beroep kon instellen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Gezien het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van deze uitspraak moet de minister een gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50 vanwege inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 15 juli 2025.