Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 28 maart 2025 een termijn had gesteld waarbinnen de minister opnieuw moest beslissen. De minister heeft deze termijn niet nageleefd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat in dit geval een uitdrukkelijke termijn was gesteld die inmiddels is verstreken. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist en verklaart het beroep gegrond.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken op, rekening houdend met de noodzaak van een zorgvuldige maar snelle besluitvorming. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van €37.500.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en is openbaar bekendgemaakt op 15 juli 2025.