Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 28 maart 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 27 mei 2025 in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit houdt in dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, is een langere termijn passend.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier S.J. Simorangkir op 30 juli 2025.