Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 14 november 2021 ontvangen, waarna de minister binnen zes maanden had moeten beslissen. Eiser stelde de minister op 19 november 2024 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden en verklaart het beroep gegrond.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn van zes weken na verzending van de uitspraak op, waarbij rekening is gehouden met het belang van een snelle en zorgvuldige besluitvorming. Ondanks de overschrijding van de termijn, acht de rechtbank het mogelijk dat de minister binnen deze termijn zorgvuldig kan besluiten. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €7.500, voor het geval de minister niet binnen de gestelde termijn beslist.
De rechtbank overweegt dat hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND dit normaliter uitsluit, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitsluiting onverbindend heeft verklaard. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op €453,50 vanwege de inschakeling van juridische hulp en de aard van het geschil.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier L.M. Kalkman, en is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025. Eiser krijgt de mogelijkheid om binnen zes weken verzetschrift in te dienen indien hij het niet eens is met deze uitspraak.