Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 21 augustus 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat er geen uitzicht is op uitzetting binnen redelijke termijn, mede vanwege het langdurige laissez-passer traject met Algerije. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er wel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede op basis van een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateert een gebrek in het rappel van 15 augustus 2025 omdat eiser toen als asielzoeker rechtmatig verblijf had en niet verwijderbaar was, waardoor uitzettingshandelingen niet toegestaan waren. Dit gebrek weegt echter niet zwaarder dan de belangen van de minister bij de maatregel van bewaring. De overige gronden voor bewaring, zoals het risico op onttrekken aan toezicht en het belemmeren van uitzettingsprocedures, zijn niet betwist en worden als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld.
De rechtbank heeft ook ambtshalve getoetst of de maatregel op enig moment onrechtmatig was en concludeert dat dit niet het geval is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.