Eiser, afkomstig uit Rusland en bouwtechnisch ingenieur, diende op 2 december 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 20 februari 2025 werd afgewezen. De minister achtte het asielmotief van oproepen voor mobilisatie niet geloofwaardig vanwege het ontbreken van onderbouwing met documenten. Eiser betwistte dit en stelde dat hij als reservist werd opgeroepen voor herhaaltrainingen en discriminatie ondervond.
De rechtbank beoordeelde het beleid van de minister, neergelegd in Werkinstructie 2024/6, en oordeelde dat dit beleid in lijn is met het Unierecht. Echter, de minister had onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor geloofwaardigheid, met name over het ontbreken van documenten en de uitleg van het asielrelaas.
De rechtbank stelde vast dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de individuele omstandigheden van eiser, zoals het ontbreken van toegang tot het digitale portaal en de aard van de oproepen. Ook was de interpretatie van het asielrelaas door de minister onjuist. Daarom werd het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met mogelijkheid tot aanvullend horen.
Eiser kreeg tevens een proceskostenvergoeding van €1.814,- toegewezen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en individuele beoordeling van asielaanvragen, met voldoende motivering en rekening houdend met alle relevante feiten.