ECLI:NL:RBDHA:2025:16711
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Roemenië
Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had op 12 mei 2025 een verzoek tot overname bij Roemenië ingediend, dat op 20 mei 2025 werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kon worden vanwege vermeende discriminatie en tekortkomingen in het Roemeense asiel- en opvangsysteem, met name voor lhbt’ers. Hij verwees naar een rapport van het US Department of State en stelde dat hij risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd voor een reëel risico op schendingen in Roemenië. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat overdracht van onevenredige hardheid zou maken, werd verworpen omdat het ontbreken van het recht op huwelijk voor lhbt’ers in Roemenië niet voldoende is om overdracht te weigeren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit en wees proceskostenvergoedingen af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.