Art. 8:54 AwbArt. 12 lid 4 Verordening (EU) 604/2013Art. 20 lid 2 Verordening (EU) 604/2013Art. 21 lid 1 Verordening (EU) 604/2013Art. 3.108c Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling verantwoordelijkheid Nederland voor asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De vreemdeling meldde zich op 29 september 2015 bij de Nederlandse autoriteiten en diende op 22 oktober 2015 een schriftelijke aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris verzocht de Zwitserse autoriteiten om overname van de vreemdeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris omdat het overnameverzoek te laat zou zijn ingediend, waardoor Nederland verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het overnameverzoek tijdig was ingediend, omdat de termijn pas aanving bij de formele schriftelijke aanvraag van 22 oktober 2015. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde dit standpunt en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet van deze datum was uitgegaan. Verder werd geoordeeld dat de wachttijd van ongeveer drieënhalve week tussen aanmelding en schriftelijke aanvraag niet onredelijk was gezien de toenmalige instroom van vreemdelingen.
De vreemdeling voerde ook aan dat bijzondere omstandigheden, zoals haar seksuele geaardheid en de wens om met haar vriendin te trouwen, een overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid zou maken. De staatssecretaris stelde dat Zwitserland verantwoordelijk is en zijn internationale verplichtingen nakomt. De Afdeling vond geen aanleiding om anders te oordelen en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling bij die rechtbank werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en Nederland blijft verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag.
Uitspraak
201604102/1/V3.
Datum uitspraak: 13 januari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 mei 2016 in zaak nr. NL 16.796 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft zich op 29 september 2015 gemeld bij de Nederlandse autoriteiten en daarbij te kennen gegeven dat zij een asielaanvraag wenst in te dienen. Op 22 oktober 2015 heeft zij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend door middel van ondertekening van een daartoe bestemd formulier.
De staatssecretaris heeft de Zwitserse autoriteiten verzocht om de vreemdeling over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 (Pb 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening). Op 14 januari 2016 hebben de Zwitserse autoriteiten de ontvangst van het verzoek bevestigd. Op 21 januari 2016 hebben zij met het verzoek ingestemd.
2. De rechtbank heeft het besluit vernietigd omdat de staatssecretaris naar haar oordeel het overnameverzoek te laat bij de Zwitserse autoriteiten heeft ingediend. Derhalve is Nederland krachtens artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de aanvraag van de vreemdeling. De rechtbank heeft daartoe redengevend geacht dat, voor zover niet dient te worden uitgegaan van 29 september 2015 als de dag waarop de termijn om een overnameverzoek aan Zwitserland toe te zenden is aangevangen, de staatssecretaris nadien de vreemdeling niet onverwijld de mogelijkheid heeft geboden om haar aanvraag schriftelijk in te dienen.
3. Hetgeen de staatssecretaris in de eerste grief aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
4. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris, in de kern weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte
niet heeft onderkend dat de in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening bedoelde termijn eerst is aangevangen nadat de vreemdeling op 22 oktober 2015 haar aanvraag schriftelijk had ingediend. Het overnameverzoek is volgens de staatssecretaris dan ook binnen de in voormeld artikel gestelde termijn van drie maanden ingediend.
4.1. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1697, en 24 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1833, dient krachtens artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening te worden uitgegaan van de formele indiening van een verzoek om internationale bescherming door middel van het daartoe geëigende formulier als handeling die de in de Dublinverordening vervatte termijnen doet aanvangen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte niet het formele asielverzoek van 22 oktober 2015 als uitgangspunt genomen om te beoordelen of het overnameverzoek binnen drie maanden is ingediend en heeft daarom eveneens ten onrechte niet geoordeeld dat het overnameverzoek binnen drie maanden en dus tijdig is ingediend.
Dat de staatssecretaris de vreemdeling niet onverwijld in de gelegenheid zou hebben gesteld om haar formele aanvraag in te dienen, maakt dit niet anders. Artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening noch artikel 3.108c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 stelt immers een concrete termijn waaraan de staatssecretaris dient te voldoen. In het licht van de door de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank gegeven toelichting dat ten tijde van de aanmelding en aanvraag van de vreemdeling sprake was van een piek in de instroom van vreemdelingen waardoor er een wachtrij ontstond, is de periode van ongeveer drieënhalve week tussen de door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om haar internationale bescherming te verlenen en de uiteindelijke gelegenheid tot het indienen van het asielverzoek niet zodanig dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van de Dublinverordening dat snel moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. Evenmin is gebleken van zodanige toepassing van de Dublinverordening dat deze leidt tot willekeur.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 14 april 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.
6. In beroep heeft de vreemdeling geklaagd dat het overnameverzoek, dat op 13 januari 2016 is opgesteld, te laat is ingediend, nu het pas bij e-mailbericht van 22 januari 2016 aan de Zwitserse autoriteiten is verzonden.
6.1. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat de staatssecretaris het overnameverzoek op 13 januari 2016 heeft opgesteld. De Zwitserse autoriteiten hebben de ontvangst van dat verzoek bevestigd bij e-mailbericht van 14 januari 2016. Op 22 januari 2016 hebben de Zwitserse autoriteiten de staatssecretaris een e-mailbericht gestuurd met als bijlage de instemmingsverklaring van 21 januari 2016. De vreemdeling heeft laatstgenoemd e-mailbericht ten onrechte aangemerkt als een bericht van de staatssecretaris waarin hij de Zwitserse autoriteiten verzoekt om overname.
De beroepsgrond faalt.
7. De vreemdeling heeft in beroep verder betoogd dat onduidelijk is of daadwerkelijk een visum aan haar is afgegeven of dat sprake is van een vals document. Bovendien heeft de staatssecretaris niet onderkend dat zij niet met het visum op 29 september 2016 de Europese Unie kan zijn ingereisd, gezien de geldigheidsduur ervan, aldus de vreemdeling.
7.1. Uit Euvis is gebleken dat de vreemdeling door de buitenlandse vertegenwoordiging van Zwitserland in Beiroet in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, geldig van 19 juni 2015 tot 17 september 2015. Er zijn geen aanknopingspunten gegeven op grond waarvan de staatssecretaris niet van de juistheid van de informatie uit Euvis heeft kunnen uitgaan. Nu de vreemdeling niet met een paspoort en reisdocumenten aannemelijk heeft gemaakt dat zij anders dan met voormeld visum is ingereisd, is de staatssecretaris er terecht van uitgegaan dat de vreemdeling het visum heeft gebruikt om in te reizen.
De beroepsgrond faalt.
8. Voorts heeft de vreemdeling in beroep, in de kern weergegeven, aangevoerd dat de staatssecretaris krachtens artikel 17 vanPro de Dublinverordening had dienen af te zien van overdracht nu sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat deze overdacht van onevenredige hardheid getuigt. Zij heeft daartoe betoogd dat zij in Zwitserland haar hoofd niet boven water zal kunnen houden en dat zij daar niet de mogelijkheid heeft om met haar vriendin te trouwen en haar te laten overkomen. Evenmin zal zij in Zwitserland een vluchtelingenstatus krijgen vanwege het feit dat zij lesbisch is en om die reden is gevlucht, aldus de vreemdeling.
8.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit en het daarin ingelaste voornemen, onder verwijzing naar paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van de vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. Hij heeft daartoe van belang kunnen achten dat de asielmotieven van de vreemdeling bij de Zwitserse autoriteiten naar voren kunnen worden gebracht en bij de behandeling van het asielverzoek worden meegenomen. Voorts heeft de staatssecretaris bij zijn standpunt kunnen betrekken dat de verklaring van de vreemdeling dat zij in Zwitserland niet met een vrouw kan trouwen, onverlet laat dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat Zwitserland haar internationale verplichtingen niet nakomt. Aan de voortrekkersrol die Nederland volgens de vreemdeling zou hebben op het gebied van homoseksuele vluchtelingen, heeft de staatssecretaris in redelijkheid evenmin de conclusie hoeven te verbinden dat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid getuigt.
De beroepsgrond faalt.
9. Het beroep tegen het besluit van 14 april 2016 is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 mei 2016 in zaak nr. NL 16.796;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.V. Leeflang, griffier.