Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 18 juli 2023 ontvangen, waarna de minister de beslistermijn met negen maanden verlengde. Eiser stelde de minister op 21 oktober 2024 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de verlengde termijn heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een termijn van zestien weken op: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser, en binnen acht weken daarna een besluit nemen. De rechtbank sluit aan bij het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van € 453,50 aan eiser, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op 30 januari 2025. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.