6.1.De rechtbank is van oordeel dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser uit het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdelingvan 23 november 2023 en 11 april 2025 en ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Artikel 26 Dublinverordening
7. Eiser voert verder aan dat uit artikel 26, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat in het besluit moet worden vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien betrokkene zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. Deze informatie is niet opgenomen in het voornemen tot buitenbehandelingstelling of in het bestreden besluit, dan wel wordt eiser slechts verwezen naar de DT&V. Nu deze termijn niet is vermeld in het voornemen of in het bestreden besluit, is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
8. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit is vermeld dat de verantwoordelijkheid van Kroatië sinds 3 mei 2024 vaststaat en dat eiser in beginsel binnen zes maanden na de datum van het claimakkoord zal worden overgedragen. Verder is in het besluit opgenomen dat, als eiser zelfstandig naar Kroatië wil reizen, hij contact moet opnemen met de DT&V om te vernemen waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk gemaakt wat – in het geval van eiser – de uiterste overdrachtstermijn is en waar hij zich moet melden indien hij zelfstandig naar Kroatië wil reizen. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met artikel 26, tweede lid, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Ter onderbouwing daarvan wijst eiser op een rapport van het Croatian Centre for Peace Studies van 19 januari 2024, alsmede op nadere informatie van VluchtelingenWerk Nederland. Eiser wijst erop dat de Afdeling naar aanleiding van deze informatie inmiddels vragen heeft gesteld aan de minister over de feitelijke situatie in Kroatië, met name ten aanzien van de opvangmogelijkheden en de capaciteit daarvan. Gelet hierop stelt eiser dat de minister de besluitvorming had moeten aanhouden in afwachting van de beantwoording van deze vragen en dat hij ten onrechte zonder nadere motivering is blijven uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast voert eiser aan dat hij in Kroatië is onderworpen aan een behandeling die volgens hem strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 4 van het Handvest. Deze omstandigheid is volgens eiser ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken.