ECLI:NL:RBDHA:2025:16976

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 september 2025
Publicatiedatum
15 september 2025
Zaaknummer
NL24.33765
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiser, een Turkse nationaliteit houder, beoordeeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister heeft dit besluit genomen op basis van de Dublinverordening, waarbij Kroatië als verantwoordelijk land is aangewezen voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister op 27 augustus 2024 het verzoek tot behandeling heeft afgewezen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld en dat zijn specifieke omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen in het besluit. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de minister de relevante regelgeving correct heeft toegepast en dat er geen reden is om aan te nemen dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat de minister de aanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en dat eiser terecht wordt overgedragen aan Kroatië. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de persoonlijke omstandigheden van eiser niet voldoende zijn onderbouwd om te concluderen dat er sprake is van onevenredige hardheid bij de overdracht. De uitspraak is openbaar gemaakt op 15 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33675

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 augustus 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De minister heeft op 17 april 2025 een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft, na hiervoor toestemming te hebben gekregen van partijen, bepaald dat een zitting achterwege blijft. [1] De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. De autoriteiten van Kroatië hebben niet binnen twee weken gereageerd. Daarom staat sinds 3 mei 2024 de verantwoordelijkheid van Kroatië vast op grond van artikel 25, tweede lid, Dublinverordening.
Zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Standaard voornemen
6.  Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte een standaardvoornemen is uitgebracht, nu daarin geen enkele overweging is gewijd aan zijn specifieke verklaringen. Eiser heeft namelijk onder meer verklaard dat hij in Kroatië gedetineerd is geweest. Eiser stelt dat in het voornemen aan deze omstandigheden in het geheel geen kenbaarheid is gegeven en dat hij hierover tijdens het gehoor onvoldoende is bevraagd. Volgens eiser is daardoor niet toetsbaar of de minister alle relevante aspecten van zijn situatie op zorgvuldige wijze bij de besluitvorming heeft betrokken.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser uit het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling [3] van 23 november 2023 en 11 april 2025 en ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken. [4]
Artikel 26 Dublinverordening
7. Eiser voert verder aan dat uit artikel 26, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat in het besluit moet worden vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien betrokkene zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. Deze informatie is niet opgenomen in het voornemen tot buitenbehandelingstelling of in het bestreden besluit, dan wel wordt eiser slechts verwezen naar de DT&V. Nu deze termijn niet is vermeld in het voornemen of in het bestreden besluit, is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
8. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit is vermeld dat de verantwoordelijkheid van Kroatië sinds 3 mei 2024 vaststaat en dat eiser in beginsel binnen zes maanden na de datum van het claimakkoord zal worden overgedragen. Verder is in het besluit opgenomen dat, als eiser zelfstandig naar Kroatië wil reizen, hij contact moet opnemen met de DT&V om te vernemen waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk gemaakt wat – in het geval van eiser – de uiterste overdrachtstermijn is en waar hij zich moet melden indien hij zelfstandig naar Kroatië wil reizen. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met artikel 26, tweede lid, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Ter onderbouwing daarvan wijst eiser op een rapport van het Croatian Centre for Peace Studies van 19 januari 2024, alsmede op nadere informatie van VluchtelingenWerk Nederland. Eiser wijst erop dat de Afdeling naar aanleiding van deze informatie inmiddels vragen heeft gesteld aan de minister over de feitelijke situatie in Kroatië, met name ten aanzien van de opvangmogelijkheden en de capaciteit daarvan. Gelet hierop stelt eiser dat de minister de besluitvorming had moeten aanhouden in afwachting van de beantwoording van deze vragen en dat hij ten onrechte zonder nadere motivering is blijven uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast voert eiser aan dat hij in Kroatië is onderworpen aan een behandeling die volgens hem strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 4 van het Handvest. Deze omstandigheid is volgens eiser ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van
9 oktober 2024 [5] , welke uitspraak nadien meerdere keren is bevestigd [6] , volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië. De Afdeling is daarbij ook ingegaan op de door eisers gestelde pushbacks en heeft daarbij expliciet het door eiser aangehaalde rapport van het Centre for Peace Studies van 19 januari 2024, alsmede de informatie van VluchtelingenWerk Nederland, betrokken. Over de druk op de opvang in Kroatië heeft de Afdeling geoordeeld dat het opvangsysteem in Kroatië onder druk heeft gestaan, maar dat dit niet betekent dat een persoon die aan Kroatië wordt overgedragen en die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.
9.2.
Ook het persoonlijke relaas van eiser, waarin hij stelt dat hij onder erbarmelijke omstandigheden gedetineerd is geweest, leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De enkele stelling van eiser, zonder onderbouwing aan de hand van stukken die betrekking hebben op eiser persoonlijk, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Bovendien heeft Kroatië met het claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen, met inachtneming van de toepasselijke Europese richtlijnen. Daarbij komt dat eiser zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Kroatische autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser bij voorbaat onmogelijk dan wel zinloos is.
9.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister de besluitvorming had moeten aanhouden in afwachting van de beantwoording van de door de Afdeling gestelde vragen. Zoals de minister terecht stelt, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 13 april 2022 niet geoordeeld dat, hangende het onderzoek, geen besluiten mochten worden genomen. Het feit dat er vragen zijn gesteld over de feitelijke situatie in Kroatië brengt niet mee dat de minister gehouden was de beslissing aan te houden.
Artikel 17 Dublinverordening
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zoals blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zijn omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, niet van betekenis voor de beoordeling of zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat een overdracht aan Kroatië getuigt van onevenredige hardheid. [7] Enkel de niet onderbouwde persoonlijke ervaringen van eiser tijdens een eerder verblijf in Kroatië rechtvaardigen niet de conclusie dat de overdracht naar Kroatië getuigt van onevenredige hardheid. De minister heeft in het besluit daarom deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiser aanvoert geen reden hoefden te zijn om van de overdracht aan Kroatië af te zien.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat de minister zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en dat eiser terecht wordt overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348 en 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
6.Zoals in de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2024, met ECLI:NL:RVS:2024:4664,
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164,