Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 21 januari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van de bewaring nog binnen de rechtsmiddelentermijn zat en daardoor geen rechtmatig verblijf had verloren. De maatregel van bewaring is daarmee vanaf het begin onrechtmatig.
De rechtbank oordeelt dat het besluit tot buiten behandeling stelling van de asielaanvraag gelijkstaat aan een afwijzing, maar dat eiser tot en met 24 januari 2025 de tijd had om beroep en een voorlopige voorziening in te dienen. Omdat eiser geen beroep heeft ingediend, had hij formeel geen rechtmatig verblijf, maar de bewaring mocht niet op die grond worden toegepast zolang de termijn liep.
Verder is vastgesteld dat er zicht is op uitzetting naar Algerije, mede op basis van gegevens over afgegeven laissez-passers in 2024. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel van bewaring per 10 februari 2025 en kent een schadevergoeding toe van € 2.130,- voor de periode van onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden proceskosten van € 1.814,- aan eiser toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.