Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 11 juni 2023 en verlengde de beslistermijn met negen maanden, maar besloot niet binnen deze termijn. Eiser stelde de minister op 13 november 2023 in gebreke en diende daarna het beroep in. De rechtbank acht het beroep gegrond omdat de minister niet tijdig heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een termijn op van zestien weken om alsnog een besluit te nemen, waarbij eerst binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor over de asielmotieven moet plaatsvinden, gevolgd door een besluit binnen acht weken daarna. Dit volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verder wordt aan de minister een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor iedere dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass op 23 januari 2025.