AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens afvalligheid en geloofwaardigheid
Eiser, een Iraanse nationaliteit, vroeg asiel aan wegens zijn afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom, hetgeen hem bij terugkeer in Iran gevaar zou opleveren. Verweerder wees de aanvraag af, onder meer omdat hij de identiteit en de geloofwaardigheid van de bekering van eiser onvoldoende achtte en de aanvraag kennelijk ongegrond vond vanwege het gebruik van een vals paspoort.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de identiteit van eiser terecht ongeloofwaardig achtte vanwege het ontbreken van originele documenten en het gebruik van een vals paspoort, maar dat het verblijf in Brazilië niet tegen hem mag worden gebruikt bij de geloofwaardigheid van zijn identiteit. Ten aanzien van de gestelde bekering en de daaraan gerelateerde problemen vindt de rechtbank dat verweerder deze terecht ongeloofwaardig heeft bevonden, onder meer vanwege tegenstrijdigheden in de dagvaarding en oppervlakkige verklaringen van eiser.
Wat betreft de afvalligheid stelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd heeft beoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Verweerder heeft nagelaten relevante landeninformatie te betrekken en heeft onterecht geconcludeerd dat eiser zich niet actief zal uiten als afvallige bij terugkeer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Voetnoten
1.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Omdat er tijdens de zitting geen tolk aanwezig was, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting niet gesloten en eiser de gelegenheid gegeven om na de zitting nog schriftelijk naar voren te brengen wat hij tijdens de zitting had willen zeggen. Verweerder heeft daarna de gelegenheid gekregen om daar een schriftelijke reactie op te geven.
3.Artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000.
4.Artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw 2000.
6.Het arrest Y en Z van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 5 september 2012 (C-71/11 en C-99/11), ECLI:EU:C:2012:518.
7.Een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 28 mei 2025 met verschillende bronnen over de positie van afvalligen in Iran.
8.Artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw 2000.
9.Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000.
10.Pagina 34 van het verslag nader gehoor.
11.Omgerekend naar de gregoriaanse kalender (die in Nederland wordt gebruikt).
12.Zie bijvoorbeeld pagina 8, 22 en 35 van het verslag nader gehoor.
13.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
14.Zie pagina 24 van het verslag nader gehoor.
15.Pagina 38 van het verslag nader gehoor.
16.Pagina 38 van het verslag nader gehoor.
17.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94 (rechtsoverweging 22.3). 18.Pagina 38 van het verslag nader gehoor.
19.Pagina 22 en 29 van het verslag nader gehoor.
20.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, rechtsoverweging 23.
21.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, rechtsoverweging 23.2.