ECLI:NL:RBDHA:2025:17424
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens het Dublin-verdrag.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 september 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat er een summiere beroepsgrond is ingediend, namelijk dat het besluit niet rechtmatig is omdat het niet is ondertekend. Deze beroepsgrond faalt echter omdat eiser niet heeft toegelicht waaruit de onrechtmatigheid blijkt. De rechtbank volgt daarbij een eerdere uitspraak van 17 december 2024.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat er geen grond meer is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.