ECLI:NL:RBDHA:2025:1744
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht naar Kroatië bij opvolgende asielaanvraag
Verzoeker, met de Syrische nationaliteit, heeft op 22 maart 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk was op grond van de Dublinverordening, een besluit dat in rechte stand bleef. Verweerder heeft op 3 februari 2025 medegedeeld dat verzoeker op 10 februari 2025 zal worden overgedragen aan Kroatië. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen.
Na een eerdere afwijzing van een vergelijkbaar verzoek op 6 februari 2025, diende verzoeker een opvolgende asielaanvraag in, die op 7 februari 2025 werd behandeld en op 7 februari 2025 werd afgewezen. Verzoeker stelde dat zijn medische omstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat hij psychische problemen ervaart vanwege de overdracht. Verweerder liet geen aanvullend medisch onderzoek uitvoeren.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker zijn medische problemen niet met stukken had onderbouwd en tijdens het gehoor verklaarde dat zijn gezondheid goed was. Gezien de korte termijn voor overdracht was onverwijlde spoed aanwezig, maar de belangenafweging en het ontbreken van nieuwe medische informatie leidden tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om overdracht naar Kroatië te voorkomen is afgewezen.