ECLI:NL:RBDHA:2025:17595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
NL25.45459
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel bewaring en terugkeerbesluit in vreemdelingenrecht

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is geconfronteerd met een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep richt zich tegen de rechtmatigheid van deze maatregel en het onderliggende terugkeerbesluit uit 2022.

De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit geen recente refoulementtoets bevat, maar dat een dergelijke toets wel recentelijk is uitgevoerd in een asielprocedure van augustus 2025, waarbij geen risico op refoulement werd vastgesteld. De rechtbank acht deze geactualiseerde beoordeling voldoende gemotiveerd en in lijn met jurisprudentie.

Verder zijn de zwaarwegende gronden voor de bewaring, waaronder het illegaal binnenkomen zonder geldig paspoort, het onttrekken aan toezicht en het belemmeren van de uitzettingsprocedure, feitelijk juist en niet betwist. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45459

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2004.
Terugkeerbesluit
2. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 18 november 2022, dat ten grondslag ligt aan deze maatregel en op basis waarvan eiser moet terugkeren naar Marokko, ook volgens verweerder zelf onrechtmatig is, zoals te lezen valt in de brief van verweerder van 23 september 2025. Verweerder had een aanvullend terugkeerbesluit kunnen en moeten nemen, wat niet is gebeurd. De maatregel is derhalve onrechtmatig aan eiser opgelegd.
3. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er een terugkeerbesluit is, maar dat in dit terugkeerbesluit geen refoulement toets heeft plaatsgevonden en dat het geen recent terugkeerbesluit betreft. Echter, zeer recent heeft een dergelijke toets wel plaatsgevonden in de (door eiser ingetrokken) asielprocedure van 28 augustus 2025. Bij die toets is geen risico op refoulement geconstateerd. De asielaanvraag is vervolgens door eiser ingetrokken op 9 september 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is de geactualiseerde refoulementbeoordeling door verweerder voldoende deugdelijk gemotiveerd en is deze in lijn met de uitspraak van de Afdeling [1] van 2 september 2025 [2] . Het terugkeerbesluit kan dan ook ten grondslag worden gelegd aan de maatregel van bewaring.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Verweerder heeft zware grond 3e ter zitting laten vallen.
6. Eiser heeft de zware grond 3d betwist. Eiser beschikt over een geboorteakte en heeft daarmee meegewerkt aan het vaststellen aan zijn identiteit.
7. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3b niet door eiser zijn betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende in de maatregel toegelicht. Eiser is op illegale wijze zonder geldig paspoort voorzien van een voor Nederland geldig visum ingereisd. Voorts is hij tijdens de asielprocedure in juni 2022 met onbekende bestemming vertrokken en is hij vervolgens op 28 augustus 2025 vanuit België overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Deze zware gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en daarmee is het risico op onttrekking aan toezicht en belemmering c.q. ontwijking van de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure gegeven.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State