ECLI:NL:RVS:2025:4178
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.H. van Breda
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en toepassing van non-refoulement beginsel bij afwijzing verblijfsvergunning
Appellanten, een gezin met Armeense nationaliteit, vroegen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De minister wees dit af omdat zij niet beschikten over een machtiging tot voorlopig verblijf en niet voldeden aan de vijfjaarseis. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit.
Na een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (arrest Ararat) werd de procedure geschorst. Het Hof verduidelijkte de verplichtingen van nationale autoriteiten en rechters bij de toetsing van het non-refoulement-beginsel. De minister verrichtte een geactualiseerde refoulementbeoordeling, die de rechtbank indringend toetste en als deugdelijk beoordeelde.
Appellanten stelden dat de dochters door verwestering een reëel risico lopen op schending van artikel 4 EU Pro-Handvest bij terugkeer naar Armenië. De rechtbank en de Afdeling oordeelden dat de aangevoerde feiten en bronnen onvoldoende zwaarwegende en feitelijke gronden boden voor een dergelijk risico.
De Afdeling vernietigde het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de totale procedure langer dan vier jaar duurde. De Afdeling wees een schadevergoeding toe en veroordeelde minister en Staat tot vergoeding van proceskosten. De overige uitspraken van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, schadevergoeding en proceskosten toegewezen wegens overschrijding redelijke termijn, overige uitspraken bevestigd.