Eiser heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 10 september 2025 is eiser niet verschenen en bleek uit een systeemuitdraai dat eiser op 19 augustus 2025 als 'met onbekende bestemming vertrokken' was geregistreerd.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser gevraagd of er nog contact was met eiser, waarop deze aangaf geen contact meer te hebben en ook niet op de zitting te verschijnen. Gezien het ontbreken van contact en het niet verschijnen van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dit dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk en wijst het beroep af zonder proceskostenveroordeling.