ECLI:NL:RBDHA:2025:17720
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens detentie ongegrond verklaard
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de verlenging van de overdrachtstermijn binnen de Dublinverordening, omdat hij gedetineerd is. De minister had de overdrachtstermijn met twaalf maanden verlengd omdat eiser niet tijdig kon worden overgedragen aan België, dat verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag.
Eiser stelde dat België niet verantwoordelijk was omdat het land weigerde hem terug te nemen en dat de verlenging niet tijdig was ingeroepen. Ook voerde hij aan dat bij onderduiking strenge eisen gelden en termen als 'vlucht' strikt geïnterpreteerd moeten worden. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat België de overname had geaccepteerd en de termijnverlenging tijdig was. Bovendien was de verlenging gebaseerd op detentie, niet op onderduiking.
De rechtbank concludeerde dat de minister de termijn op juiste wijze had verlengd conform artikel 29 van Pro de Dublinverordening. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de verlenging in stand blijft en eiser geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens detentie is ongegrond verklaard.