Eiser deed op 28 januari 2020 aangifte BPM voor een Mercedes-Benz S-Klasse. De inspecteur legde op 24 juni 2022 een naheffingsaanslag op van €5.243, gebaseerd op een hogere handelsinkoopwaarde dan door eiser opgegeven. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd en dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem gestelde waardevermindering wegens schade.
De rechtbank stelt vast dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden omdat geen uitlatingen zijn gedaan die een redelijke verwachting van het niet opleggen van een naheffingsaanslag rechtvaardigen. Het taxatierapport en foto's van eiser bieden onvoldoende onderbouwing voor een hogere schadevergoeding dan die door DRZ is vastgesteld.
Verder is vastgesteld dat de bezwaarfase en beroepsfase gezamenlijk ruim 2 jaar en 7 maanden duurden, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Eiser krijgt daarom een vergoeding van €1.000 voor immateriële schade, verdeeld over de bezwaarfase (€429) en beroepsfase (€571). Daarnaast worden proceskosten van €227 toegekend voor rechtsbijstand. De naheffingsaanslag blijft onverminderd van kracht en het beroep wordt ongegrond verklaard.