ECLI:NL:RBDHA:2025:17909

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
NL25.15397
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 sub c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende onderzoek naar vrees voor vervolging Ahmadi-moslim in Pakistan

Eiser, een Pakistaanse Ahmadi-moslim, diende op 27 juli 2023 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 9 oktober 2024 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 21 augustus 2025. Eiser stelde dat hij in Pakistan vervolgd wordt vanwege zijn geloof, onder meer na een valse aangifte en een fysieke aanval, waarna hij ondergedoken zat en het land verliet.

Verweerder erkende de identiteit en het geloof van eiser, maar achtte het tweede asielmotief, de vrees voor vervolging vanwege zijn geloof, ongeloofwaardig en vond dat eiser bij terugkeer geen reëel risico liep op ernstige schade. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar hoe eiser zijn geloof bij terugkeer zou willen belijden en waarom dit belangrijk voor hem is.

De rechtbank stelde vast dat eiser tijdens het nader gehoor niet is gevraagd naar zijn toekomstige geloofsuitoefening in Pakistan en dat verweerder ten onrechte aannam dat eiser zijn geloof probleemloos kan hervatten. Gezien de verslechterde situatie voor Ahmadi’s en het belang van geloofsuitingen zoals het verspreiden van flyers, had verweerder nader onderzoek moeten doen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen vier weken opnieuw te horen en binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar de vrees voor vervolging vanwege het geloof.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15397

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ohrtmann).

Inleiding

1. Eiser heeft op 27 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, V. Sharma als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit, behoort tot de Ahmadi gemeenschap en is geboren op [geboortedatum] 1988. Kort samengevat heeft eiser verklaard dat zijn buurman hem ervan heeft beschuldigd tijdens een barbecue bladzijden van de koran in brand te hebben gestoken. De politie heeft daarop een proces-verbaal opgemaakt van de valse aangifte van de buurman. De volgende dag werd eiser geslagen door een groep mensen die bij het huis van de buurman stonden. Eiser heeft daarvan tevergeefs aangifte gedaan. Een paar dagen later zag eiser een groep mensen, waaronder zijn buurman, richting zijn kliniek lopen. Eiser heeft vervolgens meer dan een jaar ondergedoken gezeten bij zijn schoonfamilie waarna hij Pakistan heeft verlaten. In Nederland heeft eiser actief uiting gegeven aan zijn geloof door onder andere het uitdelen van flyers.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief);
eisers persoonlijke problemen vanwege zijn religie als Ahmadi-moslim (ook wel het tweede asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Ook vindt verweerder het geloofwaardig dat eiser een Ahmadi-moslim is. Verweerder vindt het tweede asielmotief ongeloofwaardig, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [1] Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Pakistan geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [2] Hierbij heeft verweerder betrokken dat de omstandigheid dat eiser in Nederland een meer diepgaande uiting heeft kunnen geven aan zijn geloof, niet maakt dat hij bij terugkeer naar Pakistan persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt allereerst dat verweerder het tweede asielmotief niet ongeloofwaardig mocht vinden. Ook is er volgens eiser in het nader gehoor te weinig aandacht besteed aan de wijze waarop hij zijn geloof wil belijden in zijn land van herkomst. Bovendien is verweerder er ten onrechte van uitgegaan dat eiser zijn geloof in Pakistan probleemloos heeft uitgeoefend. Tot slot voert eiser aan dat de situatie voor Ahmadi’s is verslechterd en inmiddels gesproken kan worden van groepsvervolging. Hij verwijst hierbij naar landeninformatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het beroep is gegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Uit de vaste lijn van de Afdeling, ingezet in november 2015, volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen, of en zo ja op welke wijze eiser na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof. Bij deze beoordeling is van belang dat verweerder van eiser niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof in het land van herkomst. [3]
6.1.
De rechtbank volgt eisers betoog dat verweerder heeft verzuimd hem te vragen of en hoe hij zijn geloof wil belijden bij een terugkeer naar Pakistan. Aan eiser is tijdens het nader gehoor alleen gevraagd hoe hij voor zijn vertrek uit Pakistan uiting gaf aan zijn geloof en hoe hij dat in Nederland doet. [4] Aan eiser is niet gevraagd hoe hij bij een terugkeer naar Pakistan uiting wil geven aan zijn geloof en waarom het voor hem belangrijk is om het op die wijze te doen. Ook is eiser niet gevraagd of het voor hem mogelijk is om in Pakistan op de gewenste wijze uiting te geven aan zijn geloof en wat het met hem zou doen als hij eventuele geloofsactiviteiten niet zou kunnen uitvoeren en zich terughoudend zou moeten opstellen.
6.2.
Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiser de geloofsactiviteiten die hij voor zijn vertrek uit Pakistan verrichtte weer probleemloos kan hervatten bij een terugkeer naar het land. Uit de verklaringen van eiser blijkt echter ook dat hij geen religieuze vrijheid had en zich terughoudend moest opstellen. Zo verklaart eiser dat hij geen koran in zijn bezit mocht hebben en enkel stiekem de moskee en religieuze bijeenkomsten kon bezoeken. Ook was het niet toegestaan om de boodschap van het geloof te verspreiden. [5] Daar komt bij dat uit de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015 volgt dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor vertrek geen problemen zou hebben ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet kan worden afgeleid dat hij of zij bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. [6]
6.3.
Volgens verweerder kan eiser weliswaar zijn geloof niet verspreiden in Pakistan, maar is ook niet gebleken dat er sprake is van een diepgewortelde overtuiging om dit te doen. De rechtbank is van oordeel dat uit eisers enkele verklaring dat het verspreiden van flyers voor hem belangrijk is omdat het een religieuze verplichting is, verweerder niet mocht concluderen dat het voor eiser niet van bijzonder belang is om zijn geloof te verspreiden. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser hier nader over te bevragen. Te meer nu uit het ambtsbericht van 23 juli 2024 [7] en het rapport ‘Country Policy and Information Note, Pakistan Ahmadi’s van het UK Home Office van 3 maart 2025 [8] blijkt dat het voor een Ahmadi-moslim gevaarlijk is om openlijk uiting te geven aan zijn of haar geloof, de situatie hieromtrent is verslechterd en de Tabligh volgens eiser een wezenlijk onderdeel is van zijn geloofsbelijdenis.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve onvoldoende onderzoek gedaan naar eisers vrees voor vervolging vanwege zijn geloof bij terugkeer naar Pakistan. Alleen daarom al is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging, zonder dat de overige gronden van beroep nog bespreking behoeven.
7. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verzocht in het geval de rechtbank van oordeel is dat de uiting van het geloof bij een terugkeer naar Pakistan onvoldoende is uitgevraagd, een bestuurlijke lus toe te passen en alvast een oordeel te vellen over de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen als Ahmadi. Verweerder dient eiser nader te horen over zijn vrees voor vervolging vanwege het geloof. Nu niet is uit te sluiten dat dit gehoor gevolgen heeft voor de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt verweerder op eiser binnen vier weken opnieuw te horen en daarna binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op eiser binnen vier weken opnieuw te horen en daarna binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.8.
4.Nader gehoor van 7 oktober 2024, p. 19 en 20.
5.Nader gehoor van 7 oktober 2024, p. 19 en 20.
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.8.
7.Algemeen Ambtsbericht Pakistan van 5 juli 2024, p. 67 en 68.
8.Rapport ‘Country Policy and Infomation Note, Pakistan Ahmadi’s van het UK Home Office van 3 maart 2025, Annex A, p. 51 t/m 53.