De minister legde op 15 september 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde de zaak op 26 september 2025 via telehoor.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het onttrekken aan toezicht en het niet vrijwillig verlaten van Nederland, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank stelde vast dat eiser deze gronden niet betwistte en dat zij feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren.
Eiser voerde aan dat de minister niet voldeed aan zijn inspanningsverplichting tijdens zijn strafrechtelijke detentieperiode, omdat alleen een M122-mededeling was gedaan zonder verdere uitzettingshandelingen. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de einddatum van de detentie ongewis was en dat de enkele uitreiking van de M122 niet volstond. Desondanks achtte de rechtbank de bewaring niet onrechtmatig vanwege de belangenafweging en de risico’s op onttrekking.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voortvarend handelde na de inbewaringstelling, met vertrekgesprekken en overleg met Poolse autoriteiten, die hun akkoord gaven voor uitzetting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, zonder proceskostenveroordeling.