ECLI:NL:RBDHA:2025:17995

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.40139
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Richtlijn 2008/115/EGArt. 7 Richtlijn 2001/55Art. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 3:6 Vreemdelingenbesluit
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming en bevriezingsmaatregel

Eiseres kreeg op 6 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd nadat haar recht op tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd en de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 zou stoppen. Eiseres stelde dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat haar asielaanvraag nog liep, waardoor zij rechtmatig verbleef. Tevens voerde zij aan dat de minister niet had getoetst aan artikel 3 EVRM Pro en dat zij niet gehoord was, wat strijd zou opleveren met het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat artikel 6 van Pro Richtlijn 2008/115/EG en het arrest van het Hof van Justitie niet verhinderen dat een terugkeerbesluit wordt genomen na beëindiging van de tijdelijke bescherming. De bevriezingsmaatregel vormde geen belemmering voor het terugkeerbesluit. De asielaanvraag was buiten behandeling gesteld, waardoor geen rechtmatig verblijf meer bestond. De minister had wel degelijk aan artikel 3 EVRM Pro getoetst en de eiseres had de mogelijkheid gehad schriftelijk te reageren op het voornemen, zodat het horen in persoon niet noodzakelijk was.

De rechtbank concludeerde dat de minister niet verplicht was ambtshalve te onderzoeken of eiseres in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op grond van een beperking. Ook het economische belang van eiseres verhinderde het opleggen van het terugkeerbesluit niet. Het beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40139

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiseres,

(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Bij besluit van 6 augustus 2025 is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Ook heeft de minister eiseres bericht dat haar recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiseres mag vanaf 4 september 2025 niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en Nederland.
1.1.
Eiseres heeft op 23 augustus 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiseres heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.40143 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. Op 22 september 2025 zijn de gronden van beroep ingediend.
1.2.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Standpunten van eiser
2. Eiseres betoogt dat de minister het terugkeerbesluit prematuur heeft genomen. Eiseres is van mening dat zij op grond van de zogenoemde bevriezingsmaatregel in ieder geval tot 4 september 2025 rechtmatig verblijf had in Nederland. Volgens eiseres was in ieder geval geen sprake van illegaal verblijf. Eiseres stelt verder dat haar asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Volgens eiseres loopt haar asielaanvraag nog en verblijft zij ook om die reden nog steeds rechtmatig in Nederland. Daarbij wijst eiseres op het arrest Kaduna [1] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) en artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
2.1.
Daarnaast is eiseres van mening dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 3 EVRM Pro. [2] Immers, een terugkeerbesluit betekent dat eiseres uit Nederland moet vertrekken en terug moet keren naar haar land van herkomst.
2.2.
Tot slot is eiser van mening dat het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel vereisen dat eiseres voorafgaand aan het voornemen had moeten worden gehoord. Pas na een gehoor kan de minister een individuele toetsing toepassen en een belangenafweging maken. Daarbij dient de minister te onderzoeken of eiseres valt onder een andere beperking in de zin van artikel 3:6 en Pro volgende van het Vreemdelingenbesluit. Daarbij had een belangenafweging moeten plaatsvinden waarbij het economisch belang van Nederland en het feit dat eiseres al geruime tijd werkzaam is in Nederland had moeten worden betrokken. Deze belangenafweging had dan ook in het voordeel van eiseres moeten uitvallen.

Beoordeling door de rechtbank

Terugkeerbesluit
3. Anders dan eiseres bepleit ziet de rechtbank in artikel 6 van Pro Richtlijn 2008/115/EG en het arrest [3] van het Hof geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit pas vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
3.1.
Artikel 6 van Pro Richtlijn 2008/115/EG is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van Pro Richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.
3.2.
De facultatieve tijdelijke bescherming is per 4 maart 2024 geëindigd. [4] Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 6 augustus 2025 genomen.
3.3.
Op 30 juli 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. De rechtbank volgt eiseres haar stelling niet dat sprake is van een lopende asielprocedure waardoor zij rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft die aanvraag immers buiten behandeling gesteld.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 6 augustus 2025 dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen. [5]
Artikel 3 EVRM Pro
4. De stelling van eiseres dat geen toets aan artikel 3 EVRM Pro heeft plaatsgevonden is niet juist. Hier is in het voornemen van 4 juni 2025 immers wel degelijk aandacht voor geweest. Eiseres heeft in haar zienswijze niet aangevoerd dat wel sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Ook later heeft eiseres geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de aanname in het voornemen onjuist is.
Horen en belangenafweging
5. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel doordat zij niet gehoord is. De minister stelt terecht dat uit de jurisprudentie van het Hof [6] volgt dat het recht om te worden gehoord het recht omvat om - voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd - het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiseres heeft deze gelegenheid gehad doormiddel van het kunnen geven van een schriftelijke reactie op het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de eiseres niet met gegevens of bescheiden heeft toegelicht waarom deze gelegenheid voor hem niet volstond en zij ook in persoon diende te worden gehoord, biedt de omstandigheid dat eiseres niet in persoon is gehoord geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid of dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht was om bij het opleggen van een terugkeerbesluit ambtshalve te onderzoeken of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van een beperking in de zin van artikel 3.6 van het Vb. Het door eiseres gestelde economische belang van haar verblijf in Nederland staat evenmin aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg.
Conclusie
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier. en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 december 2024, C-290/24 (Kaduna en Abkez), ECLI:EU:C:2024:1038.
2.Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 december 2024, C-290/24 (Kaduna en Abkez), ECLI:EU:C:2024:1038.
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1829).
5.Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), §5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, §47-48, en de uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, r.o. 5.3.),
6.Zie bijvoorbeeld de arresten Mukarubega (5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336) en Boudjlida (11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431).