ECLI:NL:RBDHA:2025:16546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugkeerbesluit na beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Eiser, een derdelander uit Oekraïne met facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd omdat zijn tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd. Eiser betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat de bevriezingsmaatregel van de minister hem nog rechten gaf tot 4 september 2025, en dat het vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel de beëindiging in de weg stond.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het terugkeerbesluit heeft opgelegd. De bevriezingsmaatregel hield slechts een tijdelijke opschorting in van de gevolgen van het einde van de bescherming, geen verlenging. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat de tijdelijke bescherming van rechtswege op 4 maart 2024 is geëindigd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel slaagt niet, omdat geen toezeggingen zijn gedaan die een latere beëindiging rechtvaardigen en individuele belangenafweging niet aan de orde is.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro over respect voor privéleven faalt. De minister heeft eiser gelegenheid gegeven relevante informatie aan te dragen, maar het beperkte privéleven en werk in Nederland rechtvaardigen geen afzien van het terugkeerbesluit. De verplichte SIS-signalering bij terugkeerbesluiten is eveneens terecht toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.