ECLI:NL:RBDHA:2025:18000
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 10 september 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 20 september 2025 opgeheven vanwege uitzetting naar Saoedi-Arabië.
De rechtbank behandelde het beroep op 23 september 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de staandehouding en ophouding voorafgaand aan de bewaring. Eiser stelde dat de staandehouding onrechtmatig was vanwege onduidelijkheid over de bevoegdheid van betrokken medewerkers en dat de ophouding op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was, aangezien de bevoegde politiebrigadier zich mocht laten vergezellen door medewerkers van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) en het proces-verbaal betrouwbaar was. Wel werd vastgesteld dat de ophouding onjuist was gebaseerd op artikel 50a Vw 2000 in plaats van artikel 50, derde lid, wat een formeel gebrek vormt.
Dit gebrek maakte de maatregel echter niet onrechtmatig, omdat de ernst van het gebrek niet opwoog tegen de belangen die met de bewaring waren gediend. Er was een significant risico dat eiser zou onderduiken, de ophouding duurde minder dan zes uur en eiser had geen aantoonbare schade geleden. De rechtbank wees daarom het beroep en het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met veroordeling van de minister tot betaling van proceskosten.