ECLI:NL:RBDHA:2025:18021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 september 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
23/7951
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen invordering dwangsommen wegens bestemmingsplanovertreding

Eiseressen zijn sinds oktober 2021 eigenaresse van een perceel waarop zij activiteiten verrichten die in strijd zijn met het bestemmingsplan, waaronder opslag van cv-ketels en springkussens. Het college legde hen in april 2022 lasten onder dwangsom op om deze activiteiten te beëindigen. Nadat eiseressen niet voldeden binnen de gestelde termijnen, besloot het college in januari 2023 tot invordering van twee dwangsommen ter hoogte van €15.000.

Eiseressen voerden aan dat het college onrechtvaardig handelde door niet eerder tegen de vorige eigenaar op te treden en dat er sprake zou zijn van gedoogbeleid. De rechtbank oordeelt dat eiseressen geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de oorspronkelijke lasten onder dwangsom, waardoor deze onaantastbaar zijn geworden. Het beroep tegen de invordering kan daarom niet slagen, behalve in uitzonderlijke gevallen, die hier niet zijn gebleken.

De rechtbank stelt vast dat de overtredingen niet zijn beëindigd binnen de verlengde termijn en dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd. Toezeggingen door het college of derden zijn onvoldoende onderbouwd en hadden eerder tegen de lasten onder dwangsom moeten worden ingebracht. Het beroep wordt ongegrond verklaard, zonder teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van dwangsommen wegens bestemmingsplanovertredingen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7951

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2025 in de zaak tussen

[eiseres 1] en [eiseres 2] , eiseressen

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van dwangsommen. Eiseressen zijn het niet eens met deze invordering en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het invorderingsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht is overgegaan tot invordering van de aan eiseressen opgelegde dwangsommen. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 21 januari 2023 is het college overgegaan tot invordering van de op 14 april 2022 opgelegde dwangsommen (het invorderingsbesluit). Met het bestreden besluit van 3 oktober 2023 op het bezwaar van eiseressen is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseressen de gemachtigde [naam 1] , [naam 3] en [eiseres 2] . De gemachtigde van het college heeft via een videoverbinding deelgenomen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseressen zijn sinds 29 oktober 2021 beiden eigenares van (een deel van) het perceel [adres] in [plaats] . Op 19 januari 2022 heeft de toezichthouder van het college geconstateerd dat een deel van het perceel werd gebruikt in strijd met de bestemming. Naar aanleiding daarvan is er op 22 januari 2022 aan eiseressen een vooraanschrijving gestuurd met daarin het verzoek de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten op het perceel binnen zes weken te beëindigen en beëindigd te houden. Op 29 maart 2022 is geconstateerd dat de overtredingen niet geheel waren beëindigd.
3.1.
Met het besluit van 14 april 2022 heeft het college aan eiseressen een drietal lasten onder dwangsom opgelegd. Eiseressen werden gelast om vóór 15 juli 2022 de volgende activiteiten op het perceel te beëindigen en aansluitend beëindigd houden:
1)het bedrijfsmatig stallen/parkeren van auto’s door een autohandelsbedrijf, alsmede het bedrijfsmatig (laten) opslaan van auto-onderdelen. Als eiseressen niet tijdig aan deze last voldoen, verbeuren zij een dwangsom ter hoogte van € 10.000,-.
2)het opslaan, recyclen, slopen of anderszins bewerken van cv-ketels of andere metaalhoudende objecten in opstallen of op open terrein, in een bedrijfsmatige omvang of in een omvang als ware die bedrijfsmatig. Als eiseressen niet tijdig aan deze last voldoen, verbeuren zij een dwangsom ter hoogte van € 10.000,-.
3)het opslaan van opblaasbare springkussens in opstallen of op open terrein. Als eiseressen niet tijdig aan deze last voldoen, verbeuren zij een dwangsom ter hoogte van € 5.000,-.
3.2.
Het college heeft op 31 mei 2022 de begunstigingstermijn van alle drie de lasten onder dwangsom verlengd tot 17 oktober 2022.
3.3.
Het college is in het invorderingsbesluit van 21 januari 2023 overgegaan tot invordering van de dwangsommen 2 en 3. In het besluit is afgezien van invordering van dwangsom 1, nu eiseressen volgens het college voldoende hebben onderbouwd dat zij wegens een privaatrechtelijk geschil met het autohandelsbedrijf niet bij machte waren om (tijdig) aan deze last te voldoen. In het besluit is verder opgenomen dat er op 17 oktober 2022 is vastgesteld dat eiseressen niet binnen de gestelde begunstigingstermijn hebben voldaan aan de lasten. Daarmee hebben eiseressen van rechtswege een dwangsom van € 15.000,- verbeurd. Het college heeft het invorderingsbesluit met het bestreden besluit op bezwaar gehandhaafd.

Het beroep

4. Eiseressen zijn het niet eens met de invordering en voeren daartoe kort samengevat het volgende aan. Een van de eiseressen voerde vóór aankoop van het perceel dezelfde werkzaamheden (het recyclen van oude cv-ketels en oud ijzer) uit in de rol van huurder. Hoewel het college hier volgens eiseres van op de hoogte was, heeft het toen niet handhavend opgetreden tegenover de vorige eigenaar. Eiseressen achten dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook betogen eiseressen dat het college zou hebben toegezegd dat het opslaan van springkussens wel zou zijn toegestaan. Verder stellen eiseressen dat de voormalige eigenaar en betrokken notaris op het moment van aankoop van het perceel zouden hebben gezegd dat er op het perceel sprake is van een gedoogbeleid.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het college terecht tot invordering van de door eiseressen verbeurde dwangsommen is overgegaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen.
6. De grondslag van het invorderingsbesluit is gelegen in de opgelegde lasten onder dwangsom van 14 april 2022. Op de zitting hebben eiseressen gezegd dat ze tegen de lasten onder dwangsom bezwaar hebben gemaakt, maar dat heeft het college betwist en eiseressen hebben hun stelling niet onderbouwd – bijvoorbeeld door een bezwaar- of beroepschrift tegen de besluiten waarbij de lasten zijn opgelegd over te leggen. Ook zijn in het dossier geen stukken te vinden waaruit blijkt dat eiseressen indertijd zijn opgekomen tegen de lasten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiseressen geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de lasten onder dwangsom. Dit heeft als gevolg dat de lasten onder dwangsom in rechte onaantastbaar zijn geworden.
6.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat eiseressen in deze procedure tegen de invorderingsbeschikking niet met succes gronden naar voren kunnen brengen die zij tegen de last onder dwangsom naar voren hadden kunnen brengen. [1] Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd. Van een uitzonderlijk geval is de rechtbank in deze zaak niet gebleken.
6.2.
Dit betekent dat het door eiseressen gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Voor zover eiseressen namelijk betogen dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegenover de vorige eigenaar van het perceel, overweegt de rechtbank dat deze grond gericht is tegen de last onder dwangsom zelf en niet tegen het invorderingsbesluit.
Beginselplicht tot invordering
7. Bij de beoordeling van het invorderingsbesluit moet de vraag worden beantwoord of de last is overtreden. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord en de opgelegde dwangsom is verbeurd, dan geldt volgens vaste rechtspraak dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. [2] Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
7.1.
De rechtbank overweegt dat eiseressen niet binnen de verlengde begunstigingstermijn hebben voldaan aan de tweede en derde opgelegde last. Op 17 oktober 2022, na het verstrijken van de termijn, hadden eiseressen nog niet aan de lasten voldaan. De rechtbank stelt vast dat eiseressen daarmee de last hebben overtreden en dat de dwangsommen op dat moment van rechtswege zijn verbeurd.
Bijzondere omstandigheden?
8. Nu de lasten zijn overtreden en de dwangsommen zijn verbeurd, kan het college alleen in bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering afzien. Voor zover eiseressen hebben aangevoerd dat de door het college of andere betrokkenen gedane toezeggingen een bijzondere omstandigheid betreffen die bij het invorderingsbesluit had moeten worden betrokken, kan dit betoog niet slagen. Eiseressen hebben deze toezeggingen niet nader onderbouwd. Als deze toezeggingen bovendien zouden zijn gedaan voor oplegging van de last, dan hadden eiseressen deze grond tegen de last onder dwangsom naar voren moeten brengen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2025.
de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1292.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.