ECLI:NL:RVS:2020:1292
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen invordering dwangsommen wegens niet tijdige jaarverantwoording zorginstelling
Bij besluit van 3 juni 2019 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dwangsommen van €10.000,- ingevorderd van een zorginstelling die niet tijdig de Jaarverantwoording Zorg 2017 had aangeleverd aan het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). De minister had eerder een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn en een maximum van €10.000,-. De zorginstelling maakte bezwaar tegen de invordering, stellende dat het technisch onmogelijk was tijdig te voldoen door het niet tijdig ontvangen van een toegangscode van het CIBG.
De minister verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de instelling zelf verantwoordelijk was voor het verkrijgen van de toegangscode en het tijdig indienen van de jaarverantwoording. De Raad van State oordeelde dat de brief van de instelling die als bezwaar was aangeduid, feitelijk een te late zienswijze was en daarom niet in aanmerking kon worden genomen. Verder was het opleggen van de last onder dwangsom niet meer aan de orde omdat hiertegen geen bezwaar was gemaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de last was overtreden en de dwangsommen terecht waren verbeurd. De stelling van de instelling dat het technisch onmogelijk was tijdig te voldoen, was onvoldoende onderbouwd. Ook de financiële strop die de invordering zou veroorzaken, vormde geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. Het bestuursorgaan hoefde bij de invordering geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder.
Ten slotte mocht de minister afzien van het horen van de instelling omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van dwangsommen wegens niet tijdige jaarverantwoording is ongegrond verklaard.