ECLI:NL:RBDHA:2025:18046
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en afwijzing beroep op gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €1.251.000 per 1 januari 2023. Hij stelde een lagere waarde van €1.022.000 voor en voerde aan dat de slechte staat van zijn tuin en vermeende overwaardering door verbeteringen onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde correct had vastgesteld op basis van vergelijkbare vrijstaande woningen uit dezelfde bouwperiode en met vergelijkbare oppervlakten. De onderhoudstoestand was reeds ruim meegenomen in de waardering, en de grondwaarde werd vastgesteld aan de hand van de geldende grondstaffel zonder differentiatie naar tuinstaat.
Belanghebbende voerde ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, stellende dat vergelijkbare woningen in dezelfde straat procentueel minder waren gestegen. De rechtbank stelde dat alleen identieke objecten in aanmerking komen voor een dergelijk beroep en dat belanghebbende onvoldoende had aangetoond dat de vergelijkingsobjecten identiek waren.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.